ECLI:NL:CRVB:2018:3252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden gezamenlijke huishouding
Appellante en appellant ontvingen beiden bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij appellante als alleenstaande ouder en appellant als alleenstaande stond ingeschreven op verschillende adressen. Naar aanleiding van een melding dat appellante een medebewoner had, startte het college een onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat appellanten sinds de geboorte van hun kind een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellant, terwijl dit niet was gemeld.
Het college trok de bijstand in en vorderde de gemaakte kosten terug. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verklaring van appellante onjuist was weergegeven en dat het onderzoek onvoldoende was, maar de Raad verwierp deze bezwaren.
De Raad oordeelde dat de ondertekende verklaring van appellante en de overige onderzoeksbevindingen voldoende grondslag boden voor het standpunt van het college. Het achterwege laten van een huisbezoek bij appellant werd niet als onzorgvuldig beoordeeld. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.