ECLI:NL:CRVB:2018:325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Appellant, geïndiceerd voor AWBZ-zorg, ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €36.746,59. Het Zorgkantoor stelde het pgb later op nihil vast en vorderde de voorschotten terug omdat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichting om stukken ter onderbouwing van de besteding te overleggen.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen administratie had overgelegd, waardoor het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij de zorg wel had ontvangen en bereid was mondeling uitleg te geven, maar dat hij door onmacht geen administratie kon overleggen.
De Raad stelt dat op grond van artikel 2.6.9 Rsa de verplichting tot het ter beschikking stellen van administratie geldt en dat het Zorgkantoor op basis van de belangenafweging bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het Zorgkantoor mag het pgb lager vaststellen en de voorschotten terugvorderen.