ECLI:NL:CRVB:2018:322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij gezamenlijk hoofdverblijf zonder gezamenlijke huishouding
Appellant ontvangt sinds 2004 bijstand en woont sinds 2009 op hetzelfde adres als [A.], aan wie hij mantelzorg verleent. Het college heeft de bijstand van appellant per 1 juli 2015 verlaagd tot 50% van de gehuwdennorm vanwege toepassing van de kostendelersnorm, omdat appellant zijn hoofdverblijf deelt met een andere meerderjarige.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze verlaging ongegrond. In hoger beroep betoogt appellant dat de kostendelersnorm niet juist is toegepast omdat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar slechts van een gezamenlijk hoofdverblijf, en dat daardoor geen kosten gedeeld kunnen worden.
De Raad oordeelt dat hoewel de kostendelersnorm een inmenging in het eigendomsrecht inhoudt, deze inmenging wettelijk is voorzien en een legitieme doelstelling dient. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de toepassing van de norm tot een buitensporig zware last leidt. Omdat appellant en [A.] geen gezamenlijke huishouding voeren, wordt appellant niet als gehuwd aangemerkt en wordt diens inkomen en vermogen niet betrokken bij de bijstandsverlening. De kostendelersnorm is echter terecht toegepast vanwege het gezamenlijk hoofdverblijf.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand op grond van de kostendelersnorm.