Uitspraak
18.975 AW
4 januari 2018, 17/3595 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
11 april 2011 beëindigd met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat geen recht is ontstaan op een vaste aanstelling op grond van artikel 6, zesde lid, aanhef en onder b, van het ARAR, omdat niet meer dan drie opeenvolgende aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend en omdat de verleende aanstellingen samen niet de periode van 36 maanden hebben overschreden. Volgens de minister is de periode van 1 september 2009 tot 1 december 2009 niet aan te merken als nieuwe aanstelling. Aan de tussentijdse beëindiging van het dienstverband ligt, samengevat, ten grondslag dat appellant ondanks de intensieve begeleiding door een senior adviseur en later door een clustermanager, de geboden kansen tot verbetering en de ruime inwerktijd, niet voldoet aan de in redelijkheid te stellen kwantitatieve en kwalitatieve eisen en verwachtingen en dat hij daar naar verwachting ook niet binnen afzienbare tijd alsnog aan zou kunnen voldoen.