ECLI:NL:CRVB:2018:3099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en weigering IVA-uitkering per 12 maart 2015
Appellante, werkzaam als verzorgende in de thuiszorg, meldde zich in maart 2011 ziek vanwege vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 62% vast per 11 maart 2013, later bijgesteld naar 37,51% per 13 juni 2013. In maart 2015 werd een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, wat het bestreden besluit vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en geen aanwijzingen bestonden dat de gezondheidssituatie op 12 maart 2015 anders was dan vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij reeds vanaf 13 juni 2013 volledig arbeidsongeschikt was vanwege het syndroom van Brody, en verzocht om een onafhankelijke medische deskundige.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid pas per 1 november 2015 is ingetreden, gebaseerd op een verslechtering van de medische situatie die op 12 maart 2015 nog niet aanwezig was. De medische rapporten en het progressieve karakter van de aandoening ondersteunen dit standpunt. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 12 maart 2015 juist is vastgesteld op 35-45%.