Uitspraak
15.6398 WWAJ
12 augustus 2015, 15/1481 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 14 juli 2014 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Na medisch en arbeidskundig onderzoek concludeerde het UWV dat appellant, ondanks beperkingen door een somatoforme stoornis, in staat was om ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen met drie geselecteerde functies. Dit leidde tot afwijzing van de uitkering per 10 november 2014.
Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was en dat de functies passend waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en dat de beperkingen, waaronder CVS, onvoldoende waren meegewogen.
De Raad benoemde een deskundige die een aanvullend onderzoek deed en concludeerde dat appellant leed aan een somatisch-symptoomstoornis met secundaire angst- en stemmingsklachten. De deskundige en verzekeringsarts bezwaar en beroep vonden geen aanleiding om de beperkingenlijst te wijzigen. Het beroep op het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS leidde niet tot een ander oordeel.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was en dat het standpunt van appellant dat CVS was genegeerd gemotiveerd was weerlegd. De Raad volgde het oordeel van de deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering omdat appellant het wettelijk minimumloon kan verdienen.