ECLI:NL:CRVB:2018:2970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 september 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
16/3575 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 AwbArt. 122 Bard
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overtolligheidsontslag en tegemoetkoming AOW-hiaat burgerlijk ambtenaar defensie

Betrokkene, werkzaam als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kreeg met ingang van 1 juli 2015 overtolligheidsontslag. De staatssecretaris kende aansluitend wachtgeld toe tot de maand waarin betrokkene 65 jaar werd. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens verboden onderscheid naar leeftijd en gaf opdracht tot een nieuwe beslissing.

De staatssecretaris nam op 10 mei 2016 een nieuw besluit waarin het bezwaar van betrokkene werd afgewezen en op 4 december 2017 een aanvullend besluit met een tegemoetkoming voor het AOW-hiaat en compensatie voor vervroegd pensioen. Betrokkene voerde aan dat deze besluiten onvoldoende tegemoetkwamen aan zijn bezwaren.

De Raad oordeelt dat het beëindigen van de wachtgelduitkering bij 65 jaar zonder vervangende voorziening verboden leeftijdsdiscriminatie inhoudt, maar dat de aanvullende besluiten geen excessieve inbreuk maken op de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene. De Raad respecteert dat artikel 122 van Pro het Bard nog niet is gewijzigd en verklaart het beroep tegen de besluiten van 2016 en 2017 ongegrond.

De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De uitspraak bevestigt de eerdere vernietiging en geeft duidelijkheid over de financiële gevolgen van de regeling voor betrokkene.

Uitkomst: Het beroep tegen de besluiten van 10 mei 2016 en 4 december 2017 wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

16.3575 AW, 16/3906 AW, 18/3612 AW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 april 2016, 15/6463 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
[Betrokkene] te [woonplaats], België, (betrokkene)
Datum uitspraak: 27 september 2018
PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.
Namens de staatssecretaris heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris op 10 mei 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Op 4 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen.
Namens betrokkene heeft mr. W.E. Louwerse een verweerschrift ingediend.
De staatssecretaris heeft desgevraagd vragen van de Raad beantwoord. Betrokkene heeft zijn reactie op de beantwoording van de staatssecretaris en de besluiten van 10 mei 2016 en
4 december 2017 gegeven.
De staatssecretaris heeft op 8 augustus 2018 een individueel inkomensoverzicht ingezonden.
Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was als [functie] werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 juli 2015 overtolligheidsontslag verleend op grond van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Bij besluit van 3 juli 2015 (toekenningsbesluit) heeft de staatssecretaris aan betrokkene aansluitend aan zijn ontslag wachtgeld op grond van
het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van
8 september 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens verboden onderscheid naar leeftijd vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
3.1.
Bij besluit van 10 mei 2016 heeft de staatssecretaris het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij meegedeeld dat wanneer betrokkene 65 jaar wordt en in aanmerking komt voor de tegemoetkoming waarop hij recht heeft op grond van de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging
AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), betrokkene van het ABP een brief met nadere informatie over zijn persoonlijke situatie zal ontvangen.
3.2.
Bij besluit van 4 december 2017 heeft de staatssecretaris het besluit van 10 mei 2016 aangevuld en, met handhaving van de beëindigingsdatum van de wachtgelduitkering, aan betrokkene voor de periode vanaf de beëindiging van de wachtgelduitkering tot hij de
AOW-leeftijd heeft bereikt, in aanvulling op de tegemoetkoming waarop betrokkene recht heeft op grond van de Voorlopige voorziening, een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Voorts is aan betrokkene voor de periode vanaf de beëindiging van de wachtgelduitkering tot hij de AOW-leeftijd heeft bereikt een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat hij (mogelijk) zijn ouderdomspensioen vervroegd laat ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie). Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene (aanvullende maatregel).
4. Nu met het besluit van 10 mei 2016, aangevuld met het besluit van 4 december 2017, niet geheel aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die besluiten mede in zijn beoordeling betrekken.
5.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aangevallen uitspraak
5.2.
De staatssecretaris betwist niet langer dat de beëindiging van de wachtgelduitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkene een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De besluiten van 10 mei 2016 en 4 december 2017
5.3.
Betrokkene heeft er op gewezen dat in het arbeidsvoorwaardenakkoord 2017-2018 is overeengekomen dat de ontslagleeftijd van burgerambtenaren bij Defensie met ingang van
1 januari 2018 wordt gekoppeld aan de AOW-leeftijd. Hieruit blijkt volgens betrokkene dat het niet nodig is dat wachtgelduitkeringen eindigen bij het bereiken van de leeftijd van
65 jaar, zoals thans volgt uit artikel 122 van Pro het Bard. Dit betoog treft geen doel. De Raad stelt vast dat artikel 122 van Pro het Bard tot op heden niet is gewijzigd. De beslissing om
artikel 122 van Pro het Bard wel of niet te wijzigen, is aan de staatssecretaris in samenspraak met de centrales van overheidspersoneel. Dat artikel 122 van Pro het Bard tot op heden niet is gewijzigd, is een gegeven dat door de rechter moet worden gerespecteerd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2275).
5.4.
Voor zover betrokkene zich beroept op verboden onderscheid naar leeftijd, komt de Raad op grond van het overgelegde inkomensoverzicht tot het oordeel dat in het geval van betrokkene geen sprake is van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Raad kortheidshalve naar de uitspraak van
26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 10 mei 2016, zoals aangevuld bij besluit van 4 december 2017, ongegrond moet worden verklaard. Weliswaar is dat besluit in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de regeling voor betrokkene, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, nu de staatssecretaris met het individuele inkomensoverzicht alsnog duidelijkheid heeft verschaft.
5.5.
Het vorenstaande betekent dat het beroep tegen het besluit van 10 mei 2016, zoals aangevuld bij besluit van 4 december 2017, ongegrond moet worden verklaard.
6. Aanleiding bestaat de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.002,- (1 punt voor het verweerschrift en 0,5 punt voor de reactie op de besluiten van 10 mei 2016 en 4 december 2017, € 501,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 10 mei 2016, zoals aangevuld bij besluit van
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
  • bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 503,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2018.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel

IJ