ECLI:NL:CRVB:2018:2860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens schending inlichtingenplicht bij bijstandsverlening
Appellant ontvangt sinds 2003 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde vast dat appellant sinds 2009 regelmatig geldbedragen van zijn moeder ontving zonder deze te melden, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond. Het college legde een boete op van €590,-, rekening houdend met verminderde verwijtbaarheid en draagkracht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond, maar in hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel voor wat betreft de hoogte van de boete. De Raad oordeelt dat de boete niet naar boven afgerond mag worden vanwege een wetswijziging per 1 januari 2017 en stelt de boete vast op €583,62. De verwijtbaarheid blijft wel bestaan, maar het college heeft voldoende rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de kosten van appellant in hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het eerdere besluit en bevestigt het belang van een zorgvuldige toepassing van boetebepalingen en het evenredigheidsbeginsel.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op €583,62 en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.