ECLI:NL:CRVB:2018:2778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2018
Publicatiedatum
12 september 2018
Zaaknummer
16/3978 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant meldde zich ziek met letsel aan het rechterbeen na een ongeval op het werk en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Zowel in bezwaar als in beroep werden de verzekeringsgeneeskundige rapporten en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en volledig beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de rapporten en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn stelling dat hij meer beperkingen had dan in de FML vermeld. Ook werd geoordeeld dat de geselecteerde functies passend waren en dat eventuele vervoersproblemen met voorzieningen opgelost konden worden.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de FML onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen en dat er verborgen beperkingen waren. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze gronden, bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

16.3978 WIA

Datum uitspraak: 12 september 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
2 mei 2016, 15/4841 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Janszen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was laatstelijk werkzaam als [naam functie] met een nulurencontract. Hij heeft zich op 1 februari 2013 ziek gemeld met letsel aan het rechterbeen als gevolg van een hem overkomen ongeval op de werkplek. Op 13 januari 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Hij is in verband daarmee op 30 januari 2015 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 februari 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 0%. Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 30 januari 2015 geen recht is ontstaan op WIA‑uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2015 is bij beslissing op bezwaar van 17 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 8 september 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 9 september 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid zoals die was weergegeven in de FML uitgebreid met beperkingen ten aanzien van knielen/hurken en geknield of gehurkt actief zijn. Ook heeft hij de toelichting bij het item vervoer uitgebreid. Op grond van deze aangepaste FML is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor één van de vijf geselecteerde functies. De resterende functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep echter wel geschikt geacht en de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van die functies is berekend op eveneens minder dan 35%.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om te oordelen dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, dan wel onvolledig zijn. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen geen aanleiding hoefden te zien om bij de revalidatiearts informatie op te vragen, zoals door appellant in beroep is aangevoerd, omdat uit de gedingstukken niet bleek dat appellant op de datum in geding onder behandeling was van een revalidatiearts en dat deze arts een van de verzekeringsartsen afwijkende opvatting had over appellants arbeidsmogelijkheden.
De rechtbank heeft geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is inzichtelijk gemotiveerd waarom in het geval van appellant, wegens het ontbreken van objectiveerbare aandoeningen, geen verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen dan in de aangepaste FML zijn neergelegd. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de traumachirurg Geeraedts, opgesteld naar aanleiding van het bezoek van appellant op het spreekuur van 27 januari 2015 en derhalve dicht bij de datum in geding, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken dat appellant zijn standpunt, dat hij meer beperkt is dan is aangenomen, niet met objectieve (medische) stukken heeft onderbouwd.
2.3.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overwogen dat het Uwv met het rapport van 9 september 2015 afdoende heeft gemotiveerd dat de voor de schatting geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. De rechtbank heeft ten aanzien van problemen met woon‑werkverkeer vanwege het gebruik van krukken door appellant overwogen dat zulks zo nodig met een vervoersvoorziening kan worden opgelost. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat appellant niet tekort is gedaan door bij de vaststelling van de maatman aan te sluiten bij de omvang van het dienstverband van appellant vóór 1 februari 2013.
3.1.
Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In het hoger beroepschrift, zoals nader verduidelijkt ter zitting, heeft appellant gesteld dat in de FML op onvoldoende wijze rekening is gehouden met zijn beperkingen, zodat hij de op basis van de FML geduide functies niet kan verrichten. Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat in de FML verborgen beperkingen zijn opgenomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft de in 3.1 genoemde grond, inhoudende dat in de FML op onvoldoende wijze rekening is gehouden met zijn beperkingen, ook reeds in beroep naar voren gebracht. De rechtbank heeft deze grond in de overwegingen 4 en 5 van de aangevallen uitspraak – en samengevat weergegeven in deze uitspraak in 2.2 en 2.3 – op juiste wijze besproken en beoordeeld. Ook in hoger beroep heeft appellant geen informatie van medische aard ingebracht op grond waarvan twijfel zou kunnen ontstaan aan de verzekeringsgeneeskundige rapporten, dan wel aan de FML.
4.2.
Van verborgen beperkingen als door appellant bedoeld is geen sprake. In de FML zijn op inzichtelijke wijze de bij appellant bestaande beperkingen weergegeven.
4.3.
Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 behoeft het standpunt van appellant omtrent het niet kunnen vervullen van de functies – welk standpunt is gebaseerd op de door appellant gestelde onjuistheid van de FML – geen bespreking.
4.4.
Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, en B.M. van Dun en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) O.V. Vries

LO