Uitspraak
16.6590 ZW
drs. R. Spanjer.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) met ingang van 22 december 2015 in aanmerking gebracht voor een Ziektewet-uitkering, berekend op een dagloon van €83,66. Appellant betwistte deze berekening en stelde dat het dagloon gebaseerd had moeten worden op zijn inkomsten in de periode augustus tot november 2013.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het overgangsrecht van artikel 102 van Pro de Ziektewet en het Dagloonbesluit van 22 mei 2013 van toepassing waren. Het dagloon was volgens de rechtbank terecht vastgesteld op het geïndexeerde WW-dagloon.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en stelde vast dat de berekeningswijze bindend is vastgelegd in de Ziektewet en het Dagloonbesluit. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien om appellant in de proceskosten te veroordelen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 september 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het Ziektewet-dagloon wordt bevestigd.