ECLI:NL:CRVB:2018:2753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onderscheid in AOW-pensioen tussen gehuwden en ongehuwden niet in strijd met discriminatieverbod
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de berekening van zijn AOW-pensioen, omdat hij als gehuwde met een partner zonder inkomen een lager pensioen ontvangt dan een ongehuwde zonder gezamenlijke huishouding. Hij stelde dat dit onderscheid discriminerend is en in strijd met de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant zich niet in een vergelijkbare positie bevindt als een ongehuwde zonder gezamenlijke huishouding. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro geldt en dat alleen het discriminatieverbod uit internationale verdragen kan worden toegepast.
De Raad overweegt dat ongelijke behandeling niet per definitie verboden is, mits er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Gezien de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever op het terrein van sociale zekerheid en eerdere jurisprudentie, concludeert de Raad dat het onderscheid binnen de AOW gerechtvaardigd is. Het AOW-pensioen van appellant is volgens de nationale regels correct berekend, en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het onderscheid in AOW-pensioen tussen gehuwden en ongehuwden gerechtvaardigd is en verklaart het beroep ongegrond.