ECLI:NL:CRVB:2018:272
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake schadevergoeding wegens mogelijk onrechtmatig WAO-besluit
Verzoeker, voormalig werknemer die sinds 1999 ziek gemeld is, ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering die volgens hem te laag is vastgesteld. Na een bezwaarprocedure en een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit van het UWV bevestigde, stelde verzoeker hoger beroep in en vroeg hij om een voorlopige voorziening om het UWV te verplichten de schade te berekenen die hij heeft geleden door het vermeende onrechtmatige besluit.
De voorzieningenrechter overwoog dat het besluit uit 2000 rechtens onaantastbaar is verklaard en dat de stelling van verzoeker onvoldoende nieuwe feiten of omstandigheden bevat. De spoedeisendheid van het verzoek werd betwist door het UWV, dat tevens stelde dat verzoeker zelf de schade kan berekenen.
De Raad concludeerde dat de mogelijkheid dat het besluit onrechtmatig is, op zichzelf geen reden is voor onverwijlde spoed. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat het belang van verzoeker zodanig zwaarwegend is dat niet op de hoofdzaak kan worden gewacht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.