Uitspraak
mr. Van Baren zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds november 2011 in dienst bij een werkgever en heeft zijn werkzaamheden op 4 oktober 2013 gestaakt wegens vermeende loonachterstand. Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat appellant ontslag had genomen zonder geldige reden.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat hij zich weer beschikbaar had moeten stellen toen het loon alsnog werd uitbetaald. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsrechtelijke positie onduidelijk was en dat hem geen verwijt kon worden gemaakt voor het staken van zijn werkzaamheden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat ontslagneming een duidelijke en ondubbelzinnige wil vereist die zich uit een verklaring of gedraging moet blijken. Dit was niet het geval; appellant had zijn werkzaamheden gestaakt zonder de werkgever te informeren of een dergelijke wil te uiten. Het niet verschijnen op het werk kon niet zonder meer als ontslagneming worden gezien.
Daarmee was niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor verwijtbare werkloosheid. Het bestreden besluit van het UWV berustte op een ondeugdelijke motivering en de Raad gaf opdracht het besluit te herstellen binnen zes weken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 januari 2018.
Uitkomst: Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd en het UWV moet het besluit binnen zes weken herstellen.