ECLI:NL:CRVB:2018:2701

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2018
Publicatiedatum
30 augustus 2018
Zaaknummer
16/83 WWB-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78z PWWet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over huisbezoek en toepassing WWB bij twijfel over woonadres

In deze zaak stond centraal of het college van burgemeester en wethouders van Vught terecht een huisbezoek heeft afgelegd bij appellanten op 18 december 2014 zonder hun toestemming. De rechtbank had geoordeeld dat de Participatiewet (PW) van toepassing was, maar dat het toetsingskader materieel de Wet werk en bijstand (WWB) betrof. Deze overweging werd door de Centrale Raad van Beroep bevestigd, ondanks enige onduidelijkheid in de formulering.

De Raad stelde vast dat er op grond van omstandigheden, zoals het onbewoond verklaren van de woning door appellanten, een laag waterverbruik, lage gas- en elektriciteitskosten en weinig geleegde afvalcontainers, redelijkerwijs twijfel bestond over het feitelijke woonadres. Deze twijfel werd tijdens het gesprek op 18 december 2014 niet weggenomen door appellanten.

Appellanten hadden aangevoerd dat zij geen toestemming hadden gegeven voor het huisbezoek en dat er een zwaarwegend belang bestond om niet mee te werken, onder andere vanwege culturele achtergrond en gezondheidssituatie. De Raad verwierp deze gronden en oordeelde dat deze omstandigheden geen zwaarwegend belang vormden dat medewerking aan het huisbezoek in de weg stond.

Daarmee bleef de aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in stand en werd het beroep van appellanten ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt afgewezen en het huisbezoek wordt als rechtmatig bevestigd.

Uitspraak

16.83 WWB-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2015, 15/1882 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Vught (college)
Datum uitspraak: 21 augustus 2018
Zitting hebben: M. Schoneveld, als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. ter Brugge, als leden
Griffier: F. Demiroğlu
Appellanten hebben zich niet laten vertegenwoordigen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Galen en B. Bergamin.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet (PW) in deze zaak de PW van toepassing is en dat de Wet werk en bijstand (WWB) in
materieel opzicht het toetsingskader is. Zoals appellanten terecht aan de orde stellen
[zie beroepsgrond c] is deze overweging niet 100% duidelijk. Op grond van artikel 78z, vierde lid, van de PW is in deze zaak de WWB van toepassing. De rechtbank heeft in haar verdere overwegingen uitsluitend bepalingen van de WWB genoemd. Er is daarom geen aanleiding op die grond de aangevallen uitspraak te vernietigen.
Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat er geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op 18 december 2014 slaagt deze beroepsgrond niet. De Raad wijst op de omstandigheid dat appellanten hun woning zelf onbewoond hebben laten verklaren, de gegevens over het lage waterverbruik, de lage kosten voor gas en elektra en het feit dat de afvalcontainer weinig is geleegd. Op grond hiervan kon redelijkerwijs worden betwijfeld of appellanten wel woonden op het bij het college opgegeven adres. Die twijfel heeft appellant tijdens het met hem gevoerde gesprek op 18 december 2014 niet weggenomen.
Appellant heeft geen toestemming gegeven voor het afleggen van het huisbezoek op
18 december 2014. Dat blijkt duidelijk uit het verslag van het gesprek van 18 december 2014. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat een zwaarwegend belang eraan in de weg stond om medewerking te verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek, slaagt ook deze beroepsgrond niet. Wat appellanten hebben betoogd over de culturele achtergrond van appellanten, de gezondheidssituatie van appellante en de opstelling van een van de medewerkers van het college tijdens het gesprek op 18 december 2014 biedt geen aanknopingspunt om een dergelijke zwaarwegend belang aan te nemen.
Ook wat appellanten overigens hebben aangevoerd leidt er niet toe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F. Demiroglu (getekend) M. Schoneveld
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep