Uitspraak
17.865 PW
16 december 2016, 16/2258 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor eerste huur, verhuiskosten en stofferingskosten na een verhuizing. Deze verhuizing volgde op incidenten van mishandeling en bedreiging binnen haar familie. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat sprake was van bijzondere omstandigheden die deze kosten noodzakelijk maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat hoewel de kosten zich voordeden en noodzakelijk waren, appellante niet aannemelijk had gemaakt dat deze voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De door haar overgelegde medische verklaringen en aangiften boden onvoldoende bewijs dat zij genoodzaakt was te verhuizen.
Appellante voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, stellende dat een medewerker van de gemeente haar had toegezegd dat de zaak rond was en dat de gemeente garant stond voor de huurbetaling. De Raad oordeelde dat hiervoor geen ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging was gedaan. Daarom faalde ook dit verweer.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor huur, stofferings- en verhuiskosten wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.