ECLI:NL:RBNNE:2019:3959

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 september 2019
Publicatiedatum
23 september 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1241
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten opvolgend bewindvoerder

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 24 september 2019 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor bijzondere bijstand. Eiser, vertegenwoordigd door mr. R.A. Bruintjes, had op 24 oktober 2018 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de intakekosten van een opvolgend bewindvoerder. Het Dagelijks Bestuur van Werkplein Fivelingo, vertegenwoordigd door A.T. Smit, heeft deze aanvraag op 2 november 2018 afgewezen, omdat niet was aangetoond dat de kosten noodzakelijk waren. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit werd op 22 maart 2019 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de kantonrechter op 10 september 2018 de voormalige bewindvoerder had ontslagen en een nieuwe bewindvoerder had benoemd, waarbij de kosten voor de aanvangswerkzaamheden waren vastgesteld op € 519,40. Eiser stelde dat de noodzaak van deze kosten voortvloeide uit de beschikking van de kantonrechter, maar de rechtbank oordeelde dat de beoordeling van de noodzaak van wijziging van de bewindvoerder bij verweerder ligt. De rechtbank concludeerde dat eiser niet had aangetoond dat de kosten noodzakelijk waren in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de wenselijkheid van de wijziging van de bewindvoerder niet gelijkstaat aan de noodzakelijkheid van de kosten, en dat eiser niet had aangetoond dat de kosten voor de intake van de nieuwe bewindvoerder noodzakelijk waren. De uitspraak werd gedaan door mr. H. van der Werff, in aanwezigheid van griffier mr. M.H. Bolhuis, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/1241

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

[naam]te Appingedam, eiser
(gemachtigde: mr. R.A. Bruintjes),
en
Het Dagelijks Bestuur van Werkplein Fivelingo, verweerder
(gemachtigde: A.T. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 24 oktober 2018 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de intakekosten van de opvolgende bewindvoerder afgewezen.
Bij besluit van 22 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Op 20 april 2018 heeft eiser bij de kantonrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontslag van Kompas Zuidlaren B.V. te Zuidlaren als bewindvoerder en tot benoeming van opvolgend bewindvoerder Masis CBM B.V. (hierna: Masis) te Hoogezand over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan eiser.
1.2. Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 10 september 2018 is, voor zover hier van belang, met ingang van 15 september 2018 Masis benoemd als opvolgend bewindvoerder van eiser. Daarbij is de beloning voor de aanvangswerkzaamheden (intakekosten) voor Masis vastgesteld op een bedrag van
€ 519,40.
1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen omdat niet is gebleken dat de intakekosten noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften Werkplein Fivelingo van 25 februari 2019 ten grondslag gelegd. Overwogen is dat het eisers keuze is geweest om over te stappen naar een andere bewindvoerder en dat niet is aangetoond dat de voormalige bewindvoerder haar taken onbehoorlijk heeft uitgevoerd. Weliswaar is de overstap door de kantonrechter wenselijk geacht, maar de noodzaak van de overstap is niet aangetoond. Daarmee zijn de kosten van deze overstap - de intakekosten van de nieuwe bewindvoerder - niet noodzakelijk in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.
3. Eiser voert aan dat in het oordeel van de kantonrechter bij voornoemde beschikking van 10 september 2018 de noodzakelijkheid van de kosten van aanvangswerkzaamheden kan worden ingelezen, omdat daarin is overwogen dat voortzetting van het bewind bij de voormalige bewindvoerder niet zinvol is, het vertrouwen in een goede samenwerking aan de kant van eiser weg is en dat de benoeming van de voorgestelde bewindvoerder in het belang van eiser moet worden geacht. Nu tevens door de kantonrechter een beloning voor aanvangswerkzaamheden is vastgesteld dient te worden uitgegaan van de noodzakelijkheid van de kosten. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2403) en 18 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017: 2483). Tenslotte brengt eiser naar voren dat het mentorschap over hem tevens is ondergebracht bij Masis en het hem, in verband met zijn verstandelijke beperking, rust geeft dat thans ook de bewindvoering in handen van Masis is gekomen. Ook zorgt dit voor lagere kosten. Dit alles tezamen maakt volgens eiser dat de noodzakelijkheid van de kosten, die gepaard gaan met het benoemen van een nieuwe bewindvoerder, noodzakelijk zijn en de aanvraag voor bijzondere bijstand voor deze kosten gehonoreerd had moeten worden.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (waaronder de uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2510) is het aan eiser als aanvrager van bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw.
4.3. Bij toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen en vervolgens of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn.
4.4. Niet in geschil is dat de intakekosten waarvoor eiser bijzondere bijstand vraagt zich voordoen. De kantonrechter heeft deze kosten bij de beschikking van 10 september 2018 vastgesteld op € 519,40. Bij deze beschikking heeft de kantonrechter de vorige bewindvoerder op verzoek van eiser ontslagen en zijn huidige bewindvoerder benoemd, waarbij is overwogen dat dit in het belang van eiser moet worden geacht. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de voormalige bewindvoerder van eiser niet voldoende van zijn taken heeft gekweten dan wel dat zijn ontslag om een andere reden noodzakelijk was. Eiser heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt.
Voor zover eiser heeft gesteld dat de noodzakelijkheid reeds ligt besloten in de vaststelling door de kantonrechter van een beloning voor aanvangswerkzaamheden volgt de rechtbank hem niet. Weliswaar ligt de bevoegdheid tot het vaststellen van de noodzaak van een bewindvoering bij de kantonrechter, maar de beoordeling van de noodzaak van wijziging van de bewindvoerder ligt bij verweerder. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, waar eiser ook naar heeft verwezen, waarin is overwogen dat het verweerder vrij staat, nadat de bijzondere bijstand voor kosten van bewind een aanvang heeft genomen, om de noodzaak van de voortzetting van de bewindvoering te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat dit evenzeer heeft te gelden ten aanzien van de noodzaak tot wijziging van bewindvoerder.
4.5. Met zijn stelling dat het de voorkeur verdient dat mentorschap en bewindvoering bij één bedrijf worden ondergebracht heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat sprake is van noodzakelijke (intake)kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.
5. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder terecht de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor deze kosten afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van der Werff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bolhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening