Uitspraak
18.312 PW
5 december 2017, 17/2376 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een signaal dat zij een ziektewetuitkering ontving, heeft het college informatie opgevraagd over een bezwaarprocedure bij het UWV. Appellante heeft de gevraagde beslissing op bezwaar niet tijdig overgelegd, ondanks herhaalde verzoeken en een opschortingsbesluit.
Het college heeft daarop de bijstand met ingang van 13 juli 2016 opgeschort en vervolgens ingetrokken. Appellante heeft later alsnog de beslissing op bezwaar overgelegd, maar het college heeft het bezwaar tegen de intrekking ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd.
In hoger beroep betoogt appellante dat het college de grondslag van de intrekking in haar nadeel heeft gewijzigd en dat uit Suwinet en telefonisch contact bleek dat zij geen ziektewetbetalingen ontving, waardoor het besluit op bezwaar niet relevant zou zijn. De Raad oordeelt echter dat de intrekking terecht is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet en dat de beslissing op bezwaar van belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand.
De Raad stelt vast dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld door niet tijdig de gevraagde beslissing op bezwaar te overleggen. Het feit dat in Suwinet geen betalingen zichtbaar waren, doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.