ECLI:NL:CRVB:2018:2451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit terugvordering en boete Participatiewet afgewezen
Appellant was het niet eens met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland waarin een terugvordering van bijstand en een boete waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep had eerder geoordeeld dat de boete ten onrechte was opgelegd voor de periode vóór 7 september 2013 en dat het college een nieuw besluit moest nemen met een aangepaste berekening.
In het bestreden besluit stelde het college de terugvordering vast op €4.303,09 en de boete op €1.672,30. Appellant stelde dat hij tijdens een telefonisch onderhoud had aangegeven dat de aflossing van €75 per maand eerst op de terugvordering moest worden toegerekend, wat volgens hem een aanwijzing was in de zin van artikel 4:92 Awb Pro. De Raad oordeelde dat hiervan geen sprake was omdat uit de correspondentie bleek dat de betaling betrekking had op het gehele bedrag, inclusief de boete.
Verder voerde appellant aan dat de terugvordering een preferente positie had boven de boete op grond van artikel 60, zevende lid van de Participatiewet. De Raad verwierp dit omdat die bepaling alleen ziet op preferentie ten opzichte van andere schuldeisers, niet ten opzichte van boetes.
Ook de stelling dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de actuele financiële situatie van appellant faalde, mede omdat de boete al volledig was voldaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2017 wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.