ECLI:NL:CRVB:2018:2369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2018
Publicatiedatum
2 augustus 2018
Zaaknummer
16/7561 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij terugvordering zorgpremie

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft de bijstand van appellant ingetrokken wegens detentie per 3 december 2015 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode tot en met 31 december 2015, inclusief een bedrag van €855,50, teruggevorderd.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bleef het geschil beperkt tot de vraag of de betaalde zorgpremie van €152,53 over december 2015 in mindering moest worden gebracht op het terug te vorderen bedrag.

Het Zorginstituut Nederland heeft deze zorgpremie gerestitueerd aan het college, dat dit bedrag vervolgens in mindering bracht op de vordering. Hierdoor heeft appellant geen feitelijk belang meer bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

16.7561 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 november 2016, 16/4240 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 17 juli 2018
Zitting hebben: A.M. Overbeeke als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden.
Griffier: J. Tuit
Partijen zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft bij besluit van 19 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant wegens zijn detentie ingetrokken per 3 december 2015 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 december 2015 tot en met 31 december 2015 tot een bedrag van € 855,50 van hem teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Ook in hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of de door het college vanuit de bijstand van appellant betaalde zorgpremie van € 152,53 over de maand december 2015 in mindering moet worden gebracht op het van appellant terug te vorderen bedrag.
4. Gebleken is dat het Zorginstituut Nederland de zorgpremie van € 152,53 heeft gerestitueerd aan het college en dat het college dat bedrag van € 152,53 in mindering heeft gebracht op de vordering.
5. Dit betekent dat wat appellant met zijn hoger beroep beoogt te bereiken geen feitelijke betekenis voor hem kan hebben. Appellant heeft geen procesbelang meer, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Tuit (getekend) A.M. Overbeeke
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
sg