ECLI:NL:CRVB:2018:2362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na hervatting van werkzaamheden en een nieuwe ziekmelding werd zijn arbeidsongeschiktheid in 2012 vastgesteld op 100%. In 2015 beoordeelde een verzekeringsarts hem als volledig arbeidsongeschikt, maar niet duurzaam, wat leidde tot een afwijzing van een IVA-uitkering.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is, mede gebaseerd op medische brieven waarin behandelingen zoals EMDR en medicatiewijzigingen werden genoemd die nog verbetering kunnen brengen. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn situatie chronisch is en dat eerdere behandelingen onvoldoende effect hadden, mede door sociale problematiek.
De Centrale Raad van Beroep volgde het standpunt van het UWV en de rechtbank. De Raad stelde dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke inschatting moet maken van de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke behandelresultaten. Omdat er nog behandelopties zijn die verbetering kunnen brengen, is de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant komt niet in aanmerking voor een IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.