ECLI:NL:CRVB:2018:2299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als magazijnmedewerkster en meldde zich in februari 2010 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na beëindiging van haar dienstverband oordeelde het UWV dat zij vanaf februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd onherroepelijk.
In januari 2014 meldde appellante zich opnieuw ziek en vroeg zij om een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor ten minste één functie en daarom geen recht had op ziekengeld. Dit werd bevestigd door rechtbank en Raad. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van oktober 2014 waarin het UWV haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% stelde, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen, waaronder ernstige depressie, fibromyalgie en PDS, onvoldoende waren meegenomen en dat er onterecht geen urenbeperking was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het UWV de medische gegevens zorgvuldig had beoordeeld, dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was opgesteld en dat er geen aanleiding was om aan de medische beoordeling te twijfelen. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.