ECLI:NL:CRVB:2018:2240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2018
Publicatiedatum
24 juli 2018
Zaaknummer
16/2180 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60a, vierde lid, PWArt. 7:15, vijfde lid, Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening kostenvergoeding bezwaar met vordering toegestaan door Centrale Raad van Beroep

De Sociale verzekeringsbank (Svb) had een vordering van €8.890,24 wegens te veel ontvangen AIO-aanvulling vastgesteld en deze verrekend met het ouderdomspensioen van betrokkene via maandelijkse inhoudingen. Na bezwaar stelde de Svb de inhouding bij een besluit van 22 september 2015 vast op €50 per maand en kende een kostenvergoeding van €490 toe voor rechtsbijstand in bezwaar, welke ook werd verrekend met de openstaande vordering.

Betrokkene stelde beroep in tegen de verrekening van deze kostenvergoeding. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en oordeelde dat de kostenvergoeding niet met de vordering mocht worden verrekend omdat deze niet expliciet aan de rechtzoekende was toegekend, maar aan de rechtshulpverlener.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat de verrekening feitelijk plaatsvindt tussen het bestuursorgaan en de betrokkene, waarbij de betaling aan de derde (rechtshulpverlener) slechts een gevolg is. Hierdoor is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet en is de Svb bevoegd de kostenvergoeding te verrekenen. Het hoger beroep van de Svb slaagt, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 september 2015 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

16.2180 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
30 maart 2016, 15/3866 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 24 juli 2018
PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. D.R. Kamps, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben - desgevraagd - niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de Svb bepaald dat een vordering op betrokkene van
€ 8.890,24 vanwege te veel ontvangen bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) wordt verrekend met het ouderdomspensioen van betrokkene op grond van de Algemene Ouderdomswet door maandelijkse inhoudingen van € 150,-.
1.2.
Bij besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2015 gegrond verklaard en de maandelijkse inhoudingen nader vastgesteld op € 50,- per maand. De Svb heeft betrokkene een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 490,-. De Svb heeft ook deze kostenvergoeding verrekend met de openstaande vordering. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover daarbij de vergoeding voor de kosten in bezwaar is verrekend met de openstaande vordering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 2 juni 2015 herroepen voor zover daarbij de vergoeding voor de kosten in bezwaar is verrekend met de openstaande vordering en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval dat een toevoeging voor rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, als hier aan de orde, een kostenvergoeding in de bestuurlijke voorfase niet met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) kan worden verrekend met een bestaande vordering op de belanghebbende indien de kostenvergoeding niet expliciet is toegekend aan de rechtszoekende. Van dit laatste is niet gebleken, zodat de vergoeding op grond van
artikel 7:15, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht moet worden te zijn toegekend aan de rechtshulpverlener.
3. In hoger beroep heeft de Svb zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarkostenvergoeding niet kan worden verrekend met de vordering op betrokkene.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraak van 8 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4256), waarnaar de Raad kortheidshalve verwijst, heeft de Raad geoordeeld dat de verrekening tussen het bestuursorgaan en de betrokkene feitelijk voorgaat op de betaling aan een derde, te weten de rechtshulpverlener. Hieruit volgt dat wel aan de toepassingsvoorwaarden voor verrekening als bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de PW is voldaan en dat de Svb bevoegd is de bezwaarkostenvergoeding te verrekenen met de vordering op betrokkene. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 22 september 2015 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) P.C. de Wit
GdJ