ECLI:NL:CRVB:2018:2231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling noodzaak klinische observatie voor vaststelling recht op WIA-uitkering
Appellant, werkzaam in twee functies, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Er ontstond twijfel over de aard van zijn psychische aandoening door tegenstrijdige medische rapporten, waaronder een neuropsychologisch onderzoek dat malingering vermoedde. Het UWV vroeg daarom een klinische observatie aan om het recht op een WIA-uitkering te beoordelen.
Appellant weigerde de opname vanwege medische en praktische redenen, waaronder schildklierproblemen en de zwangerschap van zijn partner. Het UWV schortte daarop de uitkering op. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de klinische observatie noodzakelijk en proportioneel was.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terughoudend wordt getoetst maar dat het in redelijkheid kon besluiten dat de opname noodzakelijk was. Appellant had onvoldoende onderbouwd waarom hij niet kon meewerken. Het beroep wordt afgewezen en de schorsing van de uitkering blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de schorsing van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd.