ECLI:NL:CRVB:2018:2157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand en handhaving boete na tussenuitspraak
In deze zaak stond het beroep van appellant tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort centraal, waarbij het recht op bijstand en een opgelegde boete van €5.000,- ter discussie stonden.
De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het college werd opgedragen het besluit van 24 april 2017 te herstellen. Het college nam daarop op 5 januari 2018 een nieuw besluit waarin het bezwaar tegen het eerdere besluit werd afgewezen en de boete gehandhaafd bleef, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld op basis van de door appellant aangeleverde gegevens.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens had verstrekt om de onduidelijkheden over zijn financiële, woon- en leefsituatie weg te nemen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was de boete terecht opgelegd en gehandhaafd. Het beroep tegen het herstelbesluit werd daarom ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 24 april 2017 werd gegrond verklaard en dat besluit werd vernietigd.
Tot slot werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op €1.252,50.
Uitkomst: De boete van €5.000,- wordt gehandhaafd en het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard.