ECLI:NL:CRVB:2018:2121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag ambtenaar wegens onvoldoende functioneren tijdens proeftijd
Appellant was sinds 1 februari 2014 in tijdelijke dienst als [functie A] binnen de Belastingdienst en werd beoordeeld op zijn functioneren gedurende een proeftijd van maximaal twee jaar. Diverse functioneringsgesprekken concludeerden dat appellant niet voldeed aan de eisen van zijn functie en onvoldoende vertrouwen bestond in zijn toekomstige geschiktheid.
Ondanks begeleiding en meerdere gesprekken heeft appellant de geboden verbeterkansen niet benut. De staatssecretaris besloot daarom het dienstverband per 1 februari 2016 niet voort te zetten en verleende ontslag. Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag en het beoordelingsgesprek, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het ontslag eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat op grond van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB) hem een vaste aanstelling toekwam vanwege het voltooien van opleidingen en inschaling in de salarisschaal behorende bij zijn functie. De Raad oordeelde echter dat het verlenen van een vaste aanstelling afhankelijk is van volledige functievervulling en voldoende geschiktheid, niet slechts van opleiding en inschaling.
De Raad bevestigde dat het functioneren van appellant niet voldeed aan de redelijke eisen en dat het besluit tot ontslag binnen de terughoudende toetsing van de rechter kan blijven staan. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens onvoldoende functioneren wordt bevestigd.