ECLI:NL:CRVB:2018:2089

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2018
Publicatiedatum
10 juli 2018
Zaaknummer
16/6611 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WWBArt. 32 WWBArt. 31 PWArt. 32 PWArt. 475b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit bijschrijvingen

Appellante ontving bijstand sinds maart 2012 en werd door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg herzien op grond van niet gemelde inkomsten uit arbeid en bijschrijvingen van haar ouders en partner. Na een onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude werd de bijstand herzien en een bedrag teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het herzieningsbesluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de bijschrijvingen niet als inkomsten moesten worden aangemerkt en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege haar financiële situatie door detentie van haar ex-partner.

De Raad overwoog dat vaste rechtspraak bijschrijvingen als inkomsten beschouwt en dat de uitzonderingsgrond voor geldleningen niet van toepassing is omdat appellante al bijstand ontving. Ook werden de aangevoerde dringende redenen voor kwijtschelding van terugvordering niet aanvaard, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren en appellante bescherming kan zoeken via beslagvrije voet-regels.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

16.6611 PW

Datum uitspraak: 10 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2016, 16/2435 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Onwijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 27 maart 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, eerst op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme tip, onder meer inhoudende dat appellante inkomsten uit arbeid heeft en veelvuldig bij haar vriend verblijft, heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij het Team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur bankafschriften opgevraagd, internetonderzoek gedaan en op 14 september 2015 een gesprek gevoerd met appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport uitkeringsfraude. Dit rapport is opgemaakt op 22 oktober 2015.
1.3.
Bij besluit van 25 oktober 2015 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode 1 april 2012 tot en met 30 juni 2015 (periode in geding) op de grond dat zij in die periode inkomsten heeft genoten. Die inkomsten betreffen inkomsten uit arbeid en bijschrijvingen op haar bankrekening die zijn gedaan door haar ouders en haar partner
[S.] (S). Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken bij het college.
1.4.
Bij besluit van 29 oktober 2015 (besluit 2) heeft het college de over de periode in geding te veel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.212,46 van appellante teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 10 maart 2016 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft
het college de bezwaren tegen besluit 1 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen besluit 2 heeft het college gegrond verklaard, in die zin dat het college het terugvorderingsbedrag heeft verlaagd naar € 4.864,89, omdat dit onjuist was berekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het hoger beroep ziet in de eerste plaats op de vraag of het college de bijschrijvingen van de ouders van appellante en S terecht heeft aangemerkt als inkomsten.
4.2.
Niet in geschil is dat de ouders van appellante en S in de periode in geding regelmatig bedragen variërend van € 10,- tot € 175,- naar de bankrekening van appellante hebben overgemaakt.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van
de WWB en de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB en de PW. Ook eenmalig ontvangen bedragen kunnen als inkomen worden aangemerkt (uitspraak van
7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055).
4.4.
Niet langer is in geschil dat regelmatige bijschrijvingen als hier aan de orde als inkomsten moeten worden aangemerkt. Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat in haar geval een uitzondering moet worden gemaakt en aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak die van toepassing is in die gevallen dat iemand (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand en ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante ontving in de te beoordelen periode bijstand
en deze bijstand wordt geacht toereikend te zijn om te voorzien in haar levensonderhoud. De onder 4.4 bedoelde rechtspraak is derhalve niet op appellante van toepassing.
4.6.
Ten aanzien van de terugvordering heeft appellante aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat zij door de detentie van haar
ex-partner, die kostwinnaar was, schulden heeft moeten maken om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
4.7.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake.
Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich bovendien in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante als schuldenaar de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) F. Demiroǧlu

LO