ECLI:NL:CRVB:2018:2070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2012 werkzaam in diverse functies en meldde zich vanaf 2013 ziek met psychische klachten. Het UWV heeft haar arbeidsongeschiktheid beoordeeld en vastgesteld dat haar verlies aan verdienvermogen minder dan 35% bedraagt, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestaat. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep hebben deze besluiten bevestigd na zorgvuldige medische en arbeidskundige onderzoeken.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar psychische beperkingen door het UWV zijn onderschat en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad om medische stukken in te dienen en dat de verzekeringsartsen van het UWV deze informatie zorgvuldig hebben betrokken bij hun oordeel. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 16 februari 2015.
Het beginsel van equality of arms is niet geschonden omdat appellante de mogelijkheid had om haar standpunten te onderbouwen met medische informatie en de Raad geen aanwijzingen vond voor een gebrek aan onpartijdigheid bij de verzekeringsartsen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst de beroepen van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende verlies aan verdienvermogen.