ECLI:NL:CRVB:2018:2058

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2018
Publicatiedatum
5 juli 2018
Zaaknummer
15/3584 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 Burgerlijk ambtenarenreglement defensieWet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeidArt. 7a, eerste lid, Algemene OuderdomswetArt. 8:113, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging wachtgelduitkering bij pensioengerechtigde leeftijd en verboden leeftijdsdiscriminatie

Betrokkene was werkzaam bij het Ministerie van Defensie en kreeg per 1 juni 2014 overtolligheidsontslag met aansluitend wachtgeld toegekend tot de maand volgend op zijn 65e verjaardag. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond wegens verboden leeftijdsdiscriminatie en bepaalde dat het wachtgeld zou eindigen bij de pensioengerechtigde leeftijd volgens artikel 7a van de AOW.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betwistte dat de rechtbank zelf in de zaak mocht voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen en de einddatum van het wachtgeld te wijzigen. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in met het verzoek om vergoeding van kosten en stelde dat bepaalde beroepsgronden onbesproken waren gebleven.

De Raad oordeelde dat de staatssecretaris een zekere beleidsvrijheid heeft om het gebrek van verboden leeftijdsdiscriminatie op een rechtmatige wijze te herstellen en dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd verworpen omdat bespreking van de overige gronden geen gunstigere uitkomst zou opleveren.

De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zelf de einddatum van het wachtgeld bepaalde en droeg de staatssecretaris op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd bepaald dat beroep tegen deze nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank zelf het toekenningsbesluit herroept en de staatssecretaris moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

15.3584 AW, 15/4059 AW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
9 april 2015, 14/4396 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 5 juli 2018
PROCESVERLOOP
De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. W.E. Louwerse een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Namens de staatssecretaris heeft mr. R. van Arkel, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.
Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was als [naam functie] werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 juni 2014 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004. Bij besluit van 6 juni 2014 (toekenningsbesluit) heeft de staatssecretaris aan betrokkene aansluitend aan zijn ontslag wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie toegekend tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 30 september 2014
(bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het toekenningsbesluit gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens verboden onderscheid op grond van leeftijd en zelf in de zaken voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereikt.
3.1.
De staatssecretaris, heeft zich, voor zover thans nog van belang, op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De staatssecretaris betwist niet langer dat beëindiging van het wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkene een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank echter ten onrechte zelf in de zaak voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt.
3.2.
Betrokkene heeft in incidenteel hoger beroep betoogd dat de rechtbank, nu zij het toekenningsbesluit heeft herroepen, ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de gemaakte kosten in verband met de behandeling van zijn bezwaar gezien de herroeping van het toekenningsbesluit. Betrokkene heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bepaalde beroepsgronden onbesproken heeft gelaten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt, slaagt. De staatssecretaris heeft vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan de staatssecretaris om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen
(vergelijk ook de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2617, en
22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:528).
4.2.
De beroepsgrond van betrokkene dat de rechtbank ten onrechte bepaalde beroepsgronden onbesproken heeft gelaten, slaagt niet. Bespreking van die beroepsgronden zou immers niet tot een andere, voor hem gunstigere, uitkomst hebben geleid. Hetzelfde geldt ten aanzien van de uitkomst in hoger beroep.
4.3.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt. Dit brengt tevens mee dat thans geen aanleiding bestaat voor de door betrokkene in incidenteel hoger beroep bepleite vergoeding van de kosten in bezwaar. Uit het voorgaande en uit 4.2 volgt dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt.
4.4.
De staatssecretaris dient een nieuwe beslissing te nemen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat een - onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien door het toekenningsbesluit te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkene wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereikt;
  • draagt de staatssecretaris op een nieuwe beslissing te nemen en bepaalt dat het beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel
sg