ECLI:NL:CRVB:2018:1926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking overheveling vakantie-uren tot 152 uur bij langdurige ziekte
Appellant, werkzaam als [functie] voor 38 uur per week, verzocht om overheveling van 289,15 vakantie-uren van 2011 naar 2012 vanwege ziekte die hem verhinderde vakantie op te nemen. De korpschef stemde in met overheveling van maximaal 152 uur, gebaseerd op artikel 23, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de Europese Richtlijn 2003/88/EG.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beperking ongegrond, en oordeelde dat de korpschef redelijk gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt vast dat appellant geen wettelijke grond heeft aangewezen voor een hogere overheveling dan 152 uur en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt vanwege het ontbreken van een ondubbelzinnige toezegging.
De Raad wijst ook het betoog van appellant af dat de besluitvorming onzorgvuldig was vanwege onvoldoende onderzoek naar de gevolgen van zijn langdurige ziekte. De korpschef heeft gehandeld binnen de wettelijke kaders en in overeenstemming met Europese regelgeving. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperking van de overheveling tot 152 vakantie-uren wordt bevestigd.