ECLI:NL:CRVB:2018:1878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering tijdens startperiode zelfstandige
Appellante kreeg vanaf 18 juni 2012 een WW-uitkering en toestemming om haar eigen bedrijf te starten met behoud van uitkering onder de startersregeling. Het UWV verleende een voorschot op basis van een berekening waarbij 70% van de inkomsten over een periode van 52 weken na de start wordt verrekend. Later stelde het UWV vast dat appellante een te hoog voorschot had ontvangen en vorderde een bedrag van €11.824,80 bruto terug.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat het besluit van 29 juni 2012 een ondubbelzinnige toezegging bevatte die een andere berekeningswijze rechtvaardigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de informatie over de verrekening duidelijk was, mede door een brochure en een informatiebijeenkomst. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen onduidelijkheid had en dat het UWV zich aan de passage in het besluit moest houden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de wettelijke bepalingen (artikel 35aa WW en artikel 4:2a AIB) de berekeningswijze voorschrijven en dat de passage in het besluit niet in strijd is met deze bepalingen. De passage was onvolledig, maar de brochure gaf voldoende uitleg en voorbeelden die overeenkwamen met de situatie van appellante. Van een startende mag worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelt van de regelgeving. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het voorschot bevestigd.