ECLI:NL:CRVB:2018:1824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en begeleiding bevestigd
Appellant diende op 25 april 2014 een aanvraag in bij het CIZ voor AWBZ-zorg gericht op persoonlijke verzorging en individuele begeleiding. Deze aanvraag werd op 20 juni 2014 afgewezen en het bezwaar hiertegen op 26 maart 2015 ongegrond verklaard, omdat er voor appellant behandelmogelijkheden vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn die voorliggend zijn op AWBZ-zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond en oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig tot stand waren gekomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn rugklachten en psychische klachten onvoldoende werden erkend en dat hij aanvullend recht had op AWBZ-begeleiding.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat de medische adviezen, inclusief aanvullend advies van 6 juli 2015, zorgvuldig waren en dat de behandeling vanuit de Zvw voorliggend is. De door appellant overgelegde medische stukken boden geen aanleiding tot een ander oordeel. Tevens wees de Raad erop dat appellant voor hulp bij het huishouden en andere activiteiten terecht kan bij zijn gemeente.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor AWBZ-zorg.