Uitspraak
22 juni 2017, 17/194 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1979 in dienst van het Erasmus MC en kreeg in 2012 eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In juni 2014 verzocht zij de raad van bestuur om uitbetaling van jaar-/overuren en extra persoonlijk budget. De raad van bestuur wees dit verzoek af in juli 2014 met verwijzing naar eerdere besluitvorming en het ontbreken van nieuwe feiten.
Appellante stelde in november 2014 bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door de raad van bestuur niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel in juni 2017, stellende dat het bezwaar te laat was ingediend en dat het besluit correct was bekendgemaakt aan de gemachtigde van appellante.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat het besluit niet juist was bekendgemaakt en niet als zodanig herkenbaar was. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze argumenten, benadrukkend dat verzending aan de gemachtigde rechtsgeldig is en dat appellante tijdig bezwaar had moeten maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaarschrift van appellante is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en juiste bekendmaking aan de gemachtigde.