ECLI:NL:CRVB:2018:1570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2018
Publicatiedatum
30 mei 2018
Zaaknummer
17/3142 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening op grond van ontbreken nieuw feit of omstandigheid

De erven van een overledene hebben bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin de toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 was afgewezen. De eerdere uitspraak oordeelde dat de psychische en lichamelijke klachten niet aan de oorlogservaringen konden worden toegeschreven.

Het verzoek om herziening was gebaseerd op een verklaring van een longarts die stelde dat de overledene emotioneel veel bezig was met zijn oorlogservaringen en dat de longaandoening mogelijk verband hield met zijn slechte gezondheidstoestand destijds. De Raad beoordeelde dit verzoek aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat herziening alleen toestaat bij feiten of omstandigheden die vóór de oorspronkelijke uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren, en bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

De Raad oordeelde dat de verklaring van de longarts niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid omdat deze na de uitspraak dateert en geen nieuwe feiten bevat die aan de criteria voldoen. Tevens benadrukte de Raad dat herziening niet bedoeld is voor het heropenen van discussies over de zaak zonder nieuwe feiten.

Daarom wees de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening af en legde geen proceskosten op.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Uitspraak

17.3142 WUV, 17/3143 WUBO

Datum uitspraak: 24 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, 16/4269 WUV en 16/4271 WUBO
Partijen:
de erven van [naam 2] te [woonplaats] (verzoekers)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekers heeft [naam 1] herziening verzocht van de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, 16/4269 WUV en 16/4271 WUBO (ECLI:NL:CRVB:2016:4926).
Verweerder heeft op het verzoekschrift gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Verzoekers zijn, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van 19 mei 2016, 15/8598 WUV en 15/8600 WUBO (ECLI:NL:CRVB:2016:1827) heeft de Raad de beroepen van [naam 2] tegen besluiten van 4 december 2015 ongegrond verklaard. Het betrof de weigeringen om [naam 2] in aanmerking te brengen voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), waarbij is geoordeeld dat de psychische en lichamelijke klachten van [naam 2] niet aan zijn oorlogservaringen kunnen worden toegeschreven. Bij de uitspraak van 15 december 2016 heeft de Raad een verzoek van
[naam 2] om herziening van de uitspraak van 19 mei 2016 afgewezen.
2. Verzoekers hebben het verzoek om herziening gebaseerd op een verklaring van de longarts bij wie [naam 2] onder behandeling was. Deze longarts stelt dat [naam 2] emotioneel veel bezig was met het verleden en vooral met de ervaringen die hij in de oorlog in het Jappenkamp heeft beleefd. De longarts achter het verder mogelijk dat de longaandoening ook een oorsprong heeft in de slechte gezondheidstoestand van toen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 11 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7934) kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het voorliggend verzoek om herziening moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 19 mei 2016.
3.3.
Zoals vermeld in uitspraak van 15 december 2016 is het bijzondere rechtsmiddel van herziening volgens vaste rechtspraak van de Raad niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te openen of om de daarin gedane uitspraak ter discussie te stellen.
3.4.
De Raad is van oordeel dat de verklaring die verzoekers aan het verzoek om herziening ten grondslag hebben gelegd niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, onder a, van de Awb. De verklaring zelf dateert van na de uitspraak. Uit de verklaring blijkt niet van feiten of omstandigheden als bedoeld onder 3.1.
3.5.
Uit 3.4 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.V. van Donk

RH