ECLI:NL:CRVB:2018:1570
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening op grond van ontbreken nieuw feit of omstandigheid
De erven van een overledene hebben bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin de toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 was afgewezen. De eerdere uitspraak oordeelde dat de psychische en lichamelijke klachten niet aan de oorlogservaringen konden worden toegeschreven.
Het verzoek om herziening was gebaseerd op een verklaring van een longarts die stelde dat de overledene emotioneel veel bezig was met zijn oorlogservaringen en dat de longaandoening mogelijk verband hield met zijn slechte gezondheidstoestand destijds. De Raad beoordeelde dit verzoek aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat herziening alleen toestaat bij feiten of omstandigheden die vóór de oorspronkelijke uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren, en bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de longarts niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid omdat deze na de uitspraak dateert en geen nieuwe feiten bevat die aan de criteria voldoen. Tevens benadrukte de Raad dat herziening niet bedoeld is voor het heropenen van discussies over de zaak zonder nieuwe feiten.
Daarom wees de Centrale Raad van Beroep het verzoek om herziening af en legde geen proceskosten op.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.