ECLI:NL:CRVB:2018:1563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen procesbelang bij afwijzing bijzondere bijstand inrichtingskosten en verzoek verhoging beslagvrije voet
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten vanwege allergieën, welke werd afgewezen omdat de kosten al voorzien waren. Tevens verzocht zij om een verhoging van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht.
De rechtbank vernietigde het besluit over de bijzondere bijstand deels, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand en wees het beroep voor het overige af. In hoger beroep stelde appellante dat zij procesbelang had bij beoordeling van de afwijzing bijzondere bijstand en dat de beslagvrije voet onjuist was berekend.
De Raad oordeelde dat het verzoek om bijzondere bijstand feitelijk achterhaald was vanwege een toegekende Wmo-vergoeding voor verhuiskosten en dat appellante geen procesbelang had bij dit onderdeel van het beroep. Het verzoek tot terugwerkende kracht van de beslagvrije voet werd afgewezen omdat het college pas op 12 augustus 2015 de benodigde gegevens ontving en daarna onverwijld de beslagvrije voet aanpaste.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het onderdeel bijzondere bijstand en bevestigde het besluit over de beslagvrije voet. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor bijzondere bijstand en bevestigd besluit over beslagvrije voet.