ECLI:NL:CRVB:2018:1561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellante ontving bijstand vanaf 1 januari 2013 op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst over mogelijke inkomsten uit werkzaamheden voor een stichting en handelsnaam, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Dit leidde tot het besluit om de bijstand met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in te trekken wegens het niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij recht op bijstand had en dat het college ten onrechte dit recht niet had vastgesteld. De Raad oordeelde dat appellante inderdaad haar inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij werkzaamheden verrichtte.
Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij recht op bijstand had, omdat zij geen concrete en verifieerbare gegevens over de omvang en duur van haar werkzaamheden had overgelegd. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door schending van de inlichtingenverplichting.