ECLI:NL:CRVB:2018:1560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op loongerelateerde WGA-uitkering na zorgvuldig UWV-onderzoek
Appellante viel in 2013 uit wegens hoofdpijn, vermoeidheid en visuele problemen, met een pineaalkliercyste vastgesteld in 2011. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2014 voerde het UWV verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit en stelde een arbeidsongeschiktheid van 44,80% vast. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen het UWV-besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren om te twijfelen aan de medische geschiktheid van appellante voor de functies waarop de schatting was gebaseerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er een discrepantie was tussen het UWV-standpunt en dat van haar behandelaars, maar leverde geen nieuwe medische informatie die haar stelling ondersteunde.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat het UWV de medische informatie van de behandelaars had betrokken en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Er was geen reden om het oordeel over de medische geschiktheid en de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.