ECLI:NL:CRVB:2018:1439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden stortingen en bezit auto
Appellante ontving vanaf oktober 2011 een inkomensvoorziening en vanaf januari 2012 bijstand. Het college trok de bijstand per oktober 2012 in vanwege het ontvangen van studiefinanciering. Na een strafrechtelijk financieel onderzoek, waarbij contante stortingen en opnames op bankrekeningen van appellante en het bezit van een Range Rover aan het licht kwamen, stelde het college vast dat appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting had geschonden.
Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van ruim €12.700 terug. Appellante maakte bezwaar, dat deels werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist dat zij deze feiten moest melden en dat zij onder druk stond van haar ex-partner, wat haar zou vrijwaren van de inlichtingenplicht.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht objectief is en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet wist van de stortingen en het bezit van de auto. Ook het beroep op overmacht faalde. Daarnaast waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.