Uitspraak
16.3569 WIA
OVERWEGINGEN
WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100.
Centrale Raad van Beroep
Appellante is sinds 27 oktober 2008 arbeidsongeschikt wegens spier-, gewrichts- en psychische klachten. Haar WIA-uitkering werd vastgesteld op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van haar werkgever in 2015 heeft het UWV vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, omdat er nog behandelmogelijkheden bestonden met een reële kans op verbetering.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, onderbouwd met medische rapporten van haar huisarts en psycholoog. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat het ziektebeeld niet stabiel was en dat therapie nog mogelijk was, waardoor haar belastbaarheid kon toenemen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de oordeelsvorming van het UWV voldoet aan de vereisten en dat de prognose van de verzekeringsarts zorgvuldig en deugdelijk is onderbouwd. Het verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen omdat de ingebrachte informatie geen twijfel wekte over het standpunt van het UWV.
De Raad concludeert dat op de datum in geding (23 juni 2015) sprake was van een medische situatie met reële behandelmogelijkheden die verbetering van de arbeidsmogelijkheden van appellante konden bewerkstelligen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is.