ECLI:NL:CRVB:2018:1341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.T.H. Zimmerman
- E.C.G. Okhuizen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en medeterugvordering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1 augustus 2010 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant op het uitkeringsadres. Dit werd verzwegen, waardoor onterecht bijstand werd ontvangen.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug, mede van appellant. Appellanten voerden aan dat geen gezamenlijk hoofdverblijf bestond voor april 2012, maar de Raad oordeelde op basis van verhoren, verklaringen en laag waterverbruik in de woning van appellant dat het zwaartepunt van hun leven vanaf juli 2010 op het uitkeringsadres lag.
De Raad stelde vast dat appellanten zorg droegen voor elkaar en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. De medeterugvordering van appellant was gegrond, ondanks het niet vervolgen door het Openbaar Ministerie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand met medeterugvordering bevestigd.