ECLI:NL:CRVB:2018:132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-verzekerd zijn als directeur-grootaandeelhouder
Appellant heeft op 19 november 2015 een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van zijn dienstverband met een besloten vennootschap waarvan hij directeur-grootaandeelhouder (dga) was. Het UWV weigerde de uitkering op grond dat appellant niet verzekerd was voor de WW, wat werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in loondienst was geweest en jarenlang premie had betaald, maar hij kon niet aantonen dat hij geen dga was. De Raad toetste de zaak aan de relevante bepalingen van de WW en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.
De Raad concludeerde dat de arbeidsverhouding van een dga niet als dienstbetrekking wordt beschouwd en dat het UWV terecht is uitgegaan van de polisadministratie waaruit blijkt dat appellant dga was. Het arbeidsverleden en premiebetaling zijn niet relevant voor de verzekering voor de WW.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd omdat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet verzekerd is voor de WW.