ECLI:NL:CRVB:2018:12
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2011 bijstand als alleenstaande ouder. In 2014 stelde de gemeente Breda een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand vanwege vermoedens van een gezamenlijke huishouding met de vader van haar kinderen. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, heimelijke waarnemingen, een huisbezoek en verhoren. Op basis van deze bevindingen trok de commissie de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank oordeelde dat de heimelijke waarnemingen rechtmatig waren en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf september 2013, wat appellante niet had gemeld. Hierdoor was de inlichtingenplicht geschonden en was de intrekking en terugvordering terecht. Appellante voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan en de Raad schaarde zich achter het oordeel van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom zowel de tussenuitspraak als de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.