ECLI:NL:CRVB:2018:1108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering gegrond op medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, voormalig elektro- en verwarmingsmonteur, meldde zich ziek op 21 juni 2013 en kreeg per 1 januari 2014 geen dienstverband meer. Het UWV stelde vast dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de ZW-uitkering per 20 juli 2014. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat zijn beperkingen onderschat waren en dat hij slechts 20 uur per week zou kunnen werken.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat appellant in staat was 40 uur per week te werken met een enkele extra beperking. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat afwijkende rapporten van andere artsen onvoldoende waren om het oordeel te wijzigen.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk niet deugdelijke motivering bevatte, werd dit onder toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat appellant daardoor niet benadeeld was. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.