ECLI:NL:CRVB:2018:105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermeende woonplaatsverplaatsing onvoldoende gemotiveerd
Appellante ontving bijstand van de gemeente [woonplaats] vanaf mei 2013. Het college trok de bijstand per 1 april 2014 in, omdat zij meende dat appellante haar hoofdverblijf had verplaatst naar een andere gemeente, waar zij vijf nachten per week verbleef. Appellante voerde aan dat zij nog steeds haar woonplaats in [woonplaats] had en slechts incidenteel verbleef in de andere gemeente.
De Raad stelde vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de wil van appellante om haar woonplaats prijs te geven. Essentiële feiten zoals beheer van goederen, postontvangst, en waar het centrum van haar maatschappelijk leven zich bevond, waren niet onderzocht. De verklaring van appellante toonde aan dat zij vijf nachten in de andere gemeente verbleef, maar ook twee nachten in [woonplaats], en dat zij haar post en administratie in [woonplaats] behield.
Het college kon niet aannemelijk maken dat appellante haar woonplaats had verplaatst. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het besluit tot intrekking van de bijstand, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag en motivering.