ECLI:NL:CRVB:2018:1046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WIA- en WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd op basis van een dienstverband met een BV, maar het UWV stelde na onderzoek vast dat dit dienstverband gefingeerd was. Dit onderzoek was mede gebaseerd op een strafrechtelijk onderzoek naar uitkeringsfraude waarbij valse werkgeversverklaringen en gefingeerde dienstverbanden werden gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellante niet werkelijk in dienst was geweest van de BV, mede vanwege de geringe omzet van de BV, het ontbreken van loonheffing en de onlogische combinatie van werkzaamheden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel gewerkt had en dat het UWV het tegendeel moest bewijzen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en verwierp het verzoek om uitstel wegens vertrouwensbreuk met de advocaat. De Raad concludeerde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen echt dienstverband was en bevestigde de intrekking en terugvordering van de uitkeringen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA- en WW-uitkeringen terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd wegens een gefingeerd dienstverband.