Uitspraak
28 juli 2016, 15/7157 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
1 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 januari 2014 hersteld verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bij het UWV een verzoek ingediend voor overname van betalingsverplichtingen en toekenning van WW- en ZW-uitkeringen op grond van een dienstverband met een BV. Na een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude met gefingeerde dienstverbanden, waarbij ook het UWV onderzoek deed, concludeerde het UWV dat appellant niet daadwerkelijk in dienst was van de BV en dat het dienstverband gefingeerd was.
Het UWV trok daarop de toegekende uitkeringen en overname van betalingsverplichtingen in en vorderde de betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen echt dienstverband was en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd van daadwerkelijke werkzaamheden.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar kon hij geen nieuwe feiten of bewijs aanvoeren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de intrekking en terugvordering van de uitkeringen. Tevens wees de Raad het verzoek om uitstel af wegens vertrouwensbreuk met de advocaat.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen worden bevestigd.