Appellant was aanvankelijk door het UWV beoordeeld als 80-100% arbeidsongeschikt met een vastgesteld verzekerd dagloon van €88,-, waarop een WGA-uitkering werd gebaseerd. Appellant betwistte de hoogte van het dagloon en stelde dat dit geïndexeerd had moeten worden, omdat het dagloon volgens hem te laag was in verhouding tot de betaalde premies.
Het UWV stelde bij een nieuw besluit dat appellant alsnog duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering, maar handhaafde het dagloon van €88,-. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant maandelijks specificaties ontving waaruit het dagloon duidelijk bleek en dat er geen wettelijke verplichting tot indexering bestaat. Tevens ontbrak een ondubbelzinnige toezegging van het UWV over indexering, waardoor het beroep tegen het dagloon ongegrond is.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak die dat in stand hield, en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen IVA-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het beroep deels gegrond verklaard en deels ongegrond.