ECLI:NL:CRVB:2017:95
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering naast WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering en daarnaast een gedeeltelijke WW-uitkering over de periode van 17 maart 2012 tot en met 16 februari 2014. Het UWV ontdekte dat de gecombineerde bruto-inkomsten hoger waren dan de toegestane bedragen, waardoor sprake was van onverschuldigde betaling van de WW-uitkering.
Na bezwaar en beroep heeft het UWV de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering gehandhaafd. De rechtbank Limburg oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij geen recht had op een WW-uitkering naast een volledige WAO-uitkering. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de vermelding in het besluit van 13 juli 2012 dat de WW-uitkering een aanvulling was op een verlaagde WAO-uitkering onjuist was, omdat op 12 juli 2012 een besluit was genomen waarbij de WAO-uitkering juist was verhoogd. De betaalgegevens en de duur van de dubbele uitkering maakten het voor appellant duidelijk dat hij ten onrechte een dubbele uitkering ontving.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt de terugvordering van € 27.897,78, alsmede de inhouding van € 463,08 per maand op de WAO-uitkering. Er is geen aanleiding om af te zien van terugvordering wegens dringende redenen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering bevestigd.