ECLI:NL:CRVB:2017:870

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2017
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
14/5728 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door Minister van OCW

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit hoger beroep later ingetrokken. Betrokkene heeft daarop verzocht om proceskostenveroordeling van de Minister. De Centrale Raad van Beroep heeft op basis van artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat bij intrekking van het hoger beroep het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld in de proceskosten.

Tijdens het proces heeft de Minister zich laten vertegenwoordigen door een advocaat, en betrokkene was eveneens bijgestaan door een advocaat. Na het verzoek van betrokkene en het ontbreken van bezwaar van de Minister, heeft de Raad besloten de Minister te veroordelen tot betaling van de proceskosten van betrokkene, begroot op €495,- voor verleende rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 maart 2017, waarbij de voorzitter en twee leden het vonnis hebben gewezen in aanwezigheid van de griffier. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is veroordeeld tot betaling van €495,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

14/5728 WSF
Datum uitspraak: 1 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 september 2014, 13/5912 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. M.G.M. Frerix, advocaat.
Het onderzoek is heropend na de zitting. Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere informatie verstrekt.
Bij brief van 6 oktober 2016 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Bij brief van
7 december 2016 is namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de Raad.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 495,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 495,-.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) I.G.A.H. Toma

SS