ECLI:NL:CRVB:2017:777

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2017
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
14/6803 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit herziening studiefinanciering en boete wegens ontoelaatbaar bewijs door onbevoegde controleurs

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap had de studiefinanciering van appellant herzien en een bestuurlijke boete opgelegd vanwege de woonsituatie van appellant. Dit was gebaseerd op een onderzoek uitgevoerd door twee controleurs die niet in dienst waren van de aangewezen partij, maar als zelfstandigen zonder personeel werkten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat toezicht op de naleving van de Wet studiefinanciering 2000 een overheidstaak is en dat alleen personen met een arbeidsovereenkomst bij een aangewezen partij bevoegd zijn tot toezicht. Bevindingen van onderzoek door onbevoegde controleurs zijn als bewijs ontoelaatbaar.

Omdat het onderzoek onrechtmatig was, ontbrak een deugdelijke feitelijke grondslag voor de besluiten van de minister. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de eerdere besluiten, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot herziening studiefinanciering en boete worden vernietigd wegens ontoelaatbaar bewijs door onbevoegde controleurs.

Uitspraak

14/6803 WSF
Datum uitspraak: 1 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
31 oktober 2014, 14/2210 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.E. Merema.
De Raad heeft het onderzoek heropend om nadere informatie in te winnen bij de minister. De minister heeft de gevraagde informatie verstrekt.
Partijen hebben toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 januari 2014 heeft de minister de aan appellant op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende. Bij besluit van
19 februari 2014 heeft de minister een bestuurlijke boete aan appellant opgelegd. Bij besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening en boeteoplegging gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een partij waarvan de daar werkzame personen ingevolge een aanwijzingsbesluit belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Bij brief van 26 juli 2016 heeft de minister desgevraagd verklaard dat deze twee controleurs het onderzoek hebben verricht als zelfstandigen zonder personeel.
4.2.1.
Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.
4.2.2.
In zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943, heeft de Raad geoordeeld dat alleen die personen die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van een aangewezen partij bevoegd zijn tot het houden van dat toezicht.
4.2.3. Zoals is overwogen in – onder meer – de uitspraak van de Raad van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186, kan niet worden aanvaard dat dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) wordt uitbesteed aan een derde. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een aangewezen partij werkzaam is, maar voor die partij op andere basis werkzaamheden verricht – zijn als bewijs ontoelaatbaar.
4.3.
Nu het onderzoek in deze zaak is verricht door onbevoegde controleurs zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.
4.4.
Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.
4.5.
Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 11 januari 2014 en 19 februari 2014 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.
5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 juni 2014;
- herroept de besluiten van 11 januari 2014 en 19 februari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak
in de plaats treedt van het besluit van 4 juni 2014;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;
- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 167,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.M.M. van Dalen

HD