ECLI:NL:CRVB:2017:702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering en toeslag wegens niet gemelde stage
Appellante ontving vanaf 20 juli 2013 een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van negen uur per week en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Van 2 september tot en met 31 december 2013 verrichtte zij werkzaamheden in het kader van een stage waarvoor zij een stagevergoeding ontving.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok de WW-uitkering en toeslag over deze periode in, omdat appellante de stage niet had gemeld en daardoor ten onrechte uitkeringen had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht had gehandeld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de stage wel had gemeld en dat er redenen waren om af te zien van terugvordering. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij de stage had gemeld en dat zij tijdens de stage meer dan negen uur per week werkte, waardoor zij niet als werkloos kon worden aangemerkt. Het recht op WW-uitkering eindigt in dat geval.
De Raad bevestigde dat het Uwv verplicht was de onverschuldigde uitkeringen terug te vorderen en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en toeslag wegens niet gemelde stage en onvoldoende arbeidsurenverlies.